Herkwalificatie van dienstverlening in arbeidsrelatie: Hof van Cassatie fluit de opdrachtgever terug omdat de dienstverleningsovereenkomst niet waterdicht is

De problematiek van de schijnzelfstandigheid is even oud als het arbeidsrecht, maar blijft niettemin nog steeds brandend actueel. Dit mag wederom blijken uit een arrest van 10 oktober 2016 van het Hof van Cassatie waarin wordt geoordeeld dat het tuchtrechtelijke sanctierecht onverenigbaar is met het bestaan van een zelfstandige samenwerkingsovereenkomst.

Overeenkomstig de arbeidsrelatiewet van 27 december 2006 is de wil van de partijen bepalend voor de keuze van de rechtsaard van de arbeidsrelatie en kan deze enkel worden geherkwalificeerd indien uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat er voldoende elementen zijn die de gegeven kwalificatie uitsluiten.

Een bewakingsagent verrichtte tussen januari 2007 en december 2008 voor een bewakingsfirma prestaties in het kader van een overeenkomst voor zelfstandige samenwerking. Geconfronteerd met de beëindiging van de contractuele relatie, besloot de bewakingsagent de opdrachtgever te dagvaarden voor de arbeidsrechtbank teneinde aldaar voor recht te horen zeggen dat de door hem geleverde prestaties werden verricht in de hoedanigheid van arbeider en geenszins in die van zelfstandige. De bewakingsagent wees daarbij op de contractuele mogelijkheid in hoofde van de bewakingsfirma om de in het arbeidsreglement van de bewakingsfirma voorziene tuchtsancties ook op hem toe te passen. Dergelijke contractuele bepaling is onverenigbaar met het bestaan van een zelfstandige samenwerking, aldus de bewakingsagent.

De arbeidsrechtbank verklaarde de vordering van de bewakingsagent gegrond. Het arbeidshof van Antwerpen op zijn beurt was dan wel van oordeel dat het feit dat de bewakingsfirma over een tuchtrechtelijke sanctierecht beschikte bij de uitvoering van de opdracht van de bewakingsagent één element zou kunnen zijn dat wijst op ondergeschiktheid, doch oordeelde dat dit niet volstaat om de door de partijen gekozen kwalificatie ter zijde te schuiven.

In zijn arrest van 10 oktober 2016 fluit het Hof van Cassatie het arbeidshof van Antwerpen nu terug. Het Hof brengt vooreerst in herinnering dat, krachtens artikel 333 § 1 van de arbeidsrelatiewet van 27 december 2006, (i) de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen één van de algemene criteria is die het mogelijk maken het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen en (ii) het aan een arbeidsovereenkomst inherent werkgeversgezag de grondslag is van het tuchtrechtelijke sanctierecht dat een werkgever toekomt.

Het Hof oordeelt dan ook dat de vaststelling dat een van de partijen in een arbeidsrelatie over het recht beschikt om tuchtsancties op te leggen aan de andere partij, de mogelijkheid van een zelfstandige samenwerking uitsluit. Nog volgens het Hof valt een dergelijke sanctierecht enkel te rijmen met het bestaan van een zelfstandige samenwerking wanneer dit recht inherent is aan de uitoefening van het beroep of krachtens een wet is opgelegd, wat in casu niet het geval was.

Gelet op de verregaande gevolgen die op zowel arbeids- sociaal- als fiscaalrechtelijk gepaard gaan met de herkwalificatie van een zelfstandige samenwerking, is het belang van een goed geredigeerde zelfstandige samenwerkingsovereenkomst nauwelijks te overschatten. Dit wordt nogmaals geïllustreerd door dit arrest van het Hof van Cassatie.

Heeft u nog vragen over dit onderwerp of wenst u bijstand bij de redactie van uw zelfstandige samenwerkingsovereenkomst? Contacteer de experts van ons departement Arbeid, Incentives en Pensioenen (Damien Stas de Richelle / Ilheme Belkouche / Jorn Demey).

Gepubliceerd in: Juridisch nieuws